Zorgplicht van de accountant vanuit civielrechtelijk- en tuchtrechtelijk perspectief
In 2012 schreef Lex van Almelo: ‘Accountants maken zich zorgen over de zorgplicht. Het is een veelvormig monster dat hen regelmatig om de oren slaat. En die klappen leiden soms tot verwarring’.1 In de praktijk merkt de Accountantskamer dat accountants zich vandaag de dag nog steeds zorgen maken over de zorgplicht en daarom zal ik in deze bijdrage een aanzet doen een deel van deze verwarring weg te nemen. Daartoe maak ik een onderscheid tussen zorgplicht vanuit civielrechtelijke en tuchtrechtelijk perspectief.
Zorgplicht vanuit civielrechtelijke perspectief
De civielrechtelijke norm in geval van aansprakelijkheid van de accountant betreft de vraag of de accountant heeft gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht (dit is de zorgplicht). Deze zorgplicht is relevant bij de uitvoering van zowel wettelijke als niet- wettelijke taken en jegens cliënt en derden. De zorgplicht wordt ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval.2
De zorgplicht speelt een belangrijke rol bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis of van een onrechtmatige daad. Voor het vaststellen van een verbintenis tot schadevergoeding moet echter worden getoetst aan het hele scala van vereisten voor civiele aansprakelijkheid.
Zorgplicht vanuit tuchtrechtelijk perspectief
Het tuchtrecht heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. In een tuchtprocedure staat ter beoordeling of een accountant in overeenstemming heeft gehandeld met de voor de accountant geldende normen en gedragsregels. Er wordt hierbij onder andere getoetst aan fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zoals uitgewerkt in artikel 12 en verder van de VGBA.
Het CBb maakt in een tweetal uitspraken een koppeling tussen het civielrechtelijke begrip zorgplicht en voornoemd fundamentele beginsel: “De zorgplicht die een accountant bij het verrichten van een professionele dienst ten opzichte van zijn opdrachtgever in acht heeft te nemen vloeit voort uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid” als bedoeld in de VGBA.3 Voor het overige wordt in het tuchtrecht slechts sporadisch over zorgplicht gesproken.4 Er wordt consequent verwezen naar het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Samenloop civielrechtelijk- en tuchtrechtelijk perspectief
Uit voorgaande volgt dat de zorgplicht in civielrechtelijke zin samenhang vertoont met het tuchtrechtelijk gehanteerde fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dit is in lijn met civielrechtelijke uitspraken. Ik licht in dat verband de Fairfield uitspraak uit, waarin de rechtbank nadrukkelijke overwoog dat de Accountantskamer (ACK) volgens de rechtbank bij uitstek in staat moet worden geacht te beoordelen of een accountant, kort gezegd, zijn werkzaamheden naar behoren heeft verricht. De rechtbank overweegt dat de civielrechtelijke toets in belangrijke mate ingevuld wordt door de gedrags- en beroepsregels.5
Indien de tuchtrechter de door een beroepsbeoefenaar geleverde dienstverlening in volle omvang heeft getoetst, is het uitgangspunt dat de zorgvuldigheidsnorm waaraan de tuchtrechter heeft getoetst niet in relevante mate afwijkt van de civielrechtelijke zorgplicht. Er is alsdan sprake van wezenlijk dezelfde norm. Een dergelijke vereenzelviging van normen is niet onwenselijk gelet op de rechtszekerheid (heldere en logische uitleg van de inhoud van normen).
Oftewel, de accountant hoeft niet ‘perfect en foutloos’ te handelen, maar wel als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Dit betekent tuchtrechtelijk dat hij in overeenstemming met de geldende normen en gedragsregels heeft gehandeld. Hierbij is van belang dat de VGBA principle based is. Er is geen sprake van strikte regels, een accountant is verplicht bij het naleven van deze verordening een onderzoekende geest te hebben, professionele oordeelsvorming toe te passen en zich te baseren op hetgeen een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde aanvaardbaar en toereikend acht (art. 20 VGBA). Dit is ook waar de tuchtrechter aan toetst.
In het Vie d’Or arrest wordt overwogen dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor de accountant geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Onderzoek toont echter aan dat de civiele rechter sinds de instelling van de Accountantskamer in 2009 in de meerderheid van de procedures waar een uitspraak van de tuchtrechter aan vooraf is gegaan het oordeel van de tuchtrechter heeft overgenomen bij de invulling van de zorgplicht. Hierbij valt op dat de civiele rechter ter zake de jaarrekeningcontrole en andere wettelijk gereguleerde werkzaamheden altijd de tuchtrechter volgt. Indien sprake is van de niet-wettelijke taak wijkt de civiele rechter in 50% van de uitspraken af van het oordeel van de tuchtrechter.6
Conclusie
Ik hoop hiermee meer duiding te hebben gegeven aan de zorgplicht van de accountant vanuit civielrechtelijk- en tuchtrechtelijk perspectief. Ter afsluiting merk ik het volgende op: Indien civielrechtelijksprake is van een schending van de zorgplicht, is er nog geen verbintenis tot schadevergoeding ontstaan. Voor een succesvolle civielrechtelijke aansprakelijkheidstelling moet naast een schending van de zorgplicht worden bewezen dat: de tekortkoming dan wel onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de aangesproken accountant(sorganisatie), er sprake is van schade en er een causaal verband bestaat tussen de tekortkoming dan wel onrechtmatige daad en de schade. Een claim wordt ondanks een schending van de zorgplicht vaak alsnog afgewezen vanwege het ontbreken van causaal verband. Voor het succesvol civielrechtelijk aansprakelijk stellen van een accountant moet men derhalve goed beslagen ten ijs komen, zelfs indien tuchtrechtelijk is geoordeeld dat hetfundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid is geschonden.
mr. dr. J.E. (Annelies) Brink- van der Meer
Associate professor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en rechter-plaatsvervanger bij de Accountantskamer.
1 Accountant juli/augustus 2012.
2 Als het gaat om de uitvoering van een wettelijke taak, zoals de jaarrekeningcontrole, is het Vie d’Or-arrest richtinggevend (HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296). Het arrest bevat een omstandighedencatalogus die een rol speelt bij de invulling van de zorgplicht. Voor wat betreft de zorgplicht bij de uitvoering van niet-wettelijke taken is het Sloepenarrest richtinggevend (HR 29 januari 2021, JOR 2021/105).
3 CBb 2 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:48, r.o. 5.2 en CBb 7 juni 2016, ECLI:NL:CBB:2016:165 r.o. 5.3. De arresten zijn gewezen toen de voorganger van de VGBA, de VGC nog van toepassing was, maar dit beginsel is niet gewijzigd.
4 In de periode van 2014-2024 is het in de inhoudsindicatie van slechts 13 ACK en CBb uitspraken aan de orde geweest.
5 RB Amsterdam 26 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6897, r.o. 3.11.
6 Onderzoek heeft betrekking op de periode van 2009 tot en met 2022. Onderzoeksdata indien gewenst beschikbaar bij de auteur.